Gesteenten

Gesteenten kunnen onderverdeeld worden in drie grote groepen:

- de stollingsgesteenten

- de sedimentaire gesteenten

- de metamorfe gesteenten

Deze onderverdeling is gebaseerd op de vorming van de gesteenten en kan weergegeven worden in de gesteentecyclus. De vorming van het gesteente zal een invloed hebben op het uitzicht en de eigenschappen van de gesteenten.

STOLLINGSGESTEENTEN (of magmatische gesteenten)

Stollingsgesteenten zijn ontstaan uit het verharden van een vloeibaar gesteente, magma genoemd. Naargelang deze verharding gebeurt diep in de aarde of aan het aardoppervlak worden verschillende soorten stollingsgesteenten onderscheiden.

Dieptegesteenten zijn ontstaan uit magma dat diep in de aardkorst gestold is. Het magma of de smelt migreert naar het oppervlak. Wanneer de opwaartse beweging stopt, vormt zich een intrusie, ook intrusief lichaam of plutoon genoemd. De langzame afkoeling geeft typische grotere kristallen (grofkorrelige textuur). Enkele voorbeelden: Rustenbuildâ, Tarn, Rose de la Clarté,... Deze gesteenten kunnen gelijkkorrelig zijn of bestaan uit een fijnkorrelige grondmassa met grotere mineralen verspreid in deze massa. De korrelgrootte binnen een intrusie kan ook sterk verschillen, hetgeen verschillende variëteiten kan geven.

Vulkanische gesteenten zijn snel gestolde gesteenten ontstaan na

uitvloeien van lava. De kristallen zijn klein (fijnkorrelige gesteenten) en ze bevatten vaak stukken glas (bijvoorbeeld basalt: Crystal Black, Oriental Basalt).

Ganggesteenten zijn ontstaan uit een magma dat gestold is in gangen, spleten. De korrelgrootte is meestal gelegen tussen deze van plutonische en vulkanische gesteenten. Ze lijken uiterlijk zeer goed op dieptegesteenten. Bijvoorbeeld porfieren.

De stollingsgesteenten zijn algemeen harde materialen, de porositeit is laag tot zeer laag, ze zijn slijtvast, bestand tegen zuren (uitzondering Crystal Black basalt)….ze hebben goede mechanische eigenschappen (grote druk- en buigsterkte). Alle granieten zijn te polijsten. Of het materiaal gemakkelijk te polijsten is en of de polijstglans goed houdbaar is, is vooral afhankelijk van de hardheid van de soort mineralen en de porositeit. Men houdt er dus best rekening mee dat op zeer druk belopen plaatsen de polijstglans plaatselijk kan verdwijnen (zie verder “oppervlakte-afwerkingen). Dit valt des te meer op bij zwarte granieten, alleen omwille van die kleur zelf : matte zones vallen snel op en storen meer.

SEDIMENTAIRE GESTEENTEN

Deze gesteenten ontstaan enerzijds door verwering en afzetting van materiaal dat door water meegevoerd wordt, ergens afgezet wordt, en versteent. Dit zijn de AFZETTINGSGESTEENTEN (vb. kleiÞKleisteen, zandÞzandsteen).

Anderzijds kan in water opgelost materiaal neerslaan. Kalk slaat neer uit met kalk verzadigd water (chemisch neerslaan) of de kalklagen zijn opeenhopingen van organische resten van dieren (schelpen, koralen). Dit zijn de NEERSLAGGESTEENTEN. (vb. Travertijn, kalksteen).

De afgezette materialen (gesteentekorrels) kunnen afkomstig zijn van stollingsgesteenten, metamorfe gesteenten of andere bestaande sedimentaire gesteenten. Door de verschillende mogelijke bronnen van gesteentekorrels en door de verschillende soorten “cement” die deze korrels samenkitten, kan de variëteit binnen de sedimentaire gesteenten enorm zijn: het uitzicht, de technische gegevens én dus ook het gebruik, de mogelijkheden van het product.

Voorbeelden van grote groepen sedimentaire gesteenten zijn de kalkstenen (bijvoorbeeld Arduin, witte kalkstenen, Jura,...), de zandstenen (bijvoorbeeld Pietra Serena,...). Typisch voor sedimentaire gesteenten zijn de verschillende lagen die zichtbaar zijn in deze gesteenten, fossielen die zichtbaar zijn in de meeste kalkstenen,...

De eigenschappen van deze materialen kunnen sterk verschillen van soort tot soort, afhankelijk van de mineralogische samenstelling. Ze kunnen poreus tot zeer poreus zijn. Ze zijn meestal niet bestand tegen zuren (CaCO3 in kalkhoudende gesteenten lost op in zuur milieu). Er bestaat veel variatie binnen de soorten, wat uitzicht, porositeit, slijtweerstand, schoksterkte…betreft. De meeste kalkgesteenten plaatst men beter niet waar veel vocht te verwachten is of op plaatsen waar het gebruik van producten die zuren bevatten of vlekkende stoffen niet te vermijden is.

METAMORFE GESTEENTEN

Metamorfe gesteenten ontstaan door omvorming van reeds bestaande gesteenten door druk en temperatuur. Metamorfe gesteenten omvatten zeer uiteenlopende soorten : het oorspronkelijk gesteente dat de metamorfose onderging kan immers een stollingsgesteente of één van de vele soorten sedimentaire gesteenten zijn. Door de metamorfose worden de korrels dichter bij elkaar gedrukt. Dit heeft een grotere dichtheid en een lagere porositeit tot gevolg. De textuur, structuur, mineralogische samenstelling,... kan hierdoor sterk veranderen. Soms worden nieuwe mineralen gevormd; bepaalde mineralen worden alleen ten gevolge van een metamorfose gevormd. Voorbeelden van metamorfe gesteenten zijn de gneizen (commercieel onderverdeeld als graniet), kwartsiet, leisteen en marmer.

Gneizen zijn te herkennen aan de gerichte structuur, het gestreept uitzicht of foliatie. Dit wordt veroorzaakt door de groepering van kristallen van verschillende grootte en kleur. Er is een typische afwisseling van bleke zones (kwarts, veldspaat) en donkere zones (glimmer of amfibool). De gerichte, gestreepte, gevlamde, waaiervormige tekeningen hebben tot gevolg dat onder andere de technische eigenschappen sterk kunnen verschillen over de oppervlakte van een plaat, het volume van een blok….. Zo zijn biotietconcentraties (donkere zones) vaak “poreuzer” dan de rest. Hoe dan ook, deze gesteenten zijn bestand tegen zuren, weersomstandigheden, vorst…Ze zijn goed te polijsten. De meeste gneizen zijn zeer weinig poreus en slijtvast. Bijvoorbeeld: Vert Tropical, Paradiso, Shivakasi,...

Kwartsiet heeft een helder, kiezelig, kompact, “vet” uitzicht. De kwartskristallen zijn zeer sterk verkit. Wanneer men het breekt loopt de breuklijn door de kristallen terwijl bij zandsteen de breuklijn rond de zandkorrels loopt. Men kan het niet krassen met een mes. Het lijkt op marmer maar is veel harder. Kwartsiet is zeer hard, zeer weinig poreus en bestand tegen zuren. Bijvoorbeeld: Azul Macaubas,...

Leisteen heeft een gerichte gelaagde structuur (zeer dunne evenwijdige laagjes). Het materiaal is volgens zeer dunne lagen splijtbaar (splijtvlakken). Leisteen is meestal niet te polijsten en is krasgevoeliger, maar wel zeer compact (weinig poreus). Bijvoorbeeld: Ardesia, Black Slate Mustang,...

Marmer heeft een compacte, homogene massa en ontstaat door omvorming van een sedimentaire kalksteen. De oorspronkelijke mineralen worden samengedrukt, zodat de porositeit sterk vermindert. Marmers bestaan zoals de zuivere kalkstenen uit calciet, en zijn dus niet zuurbestendig en niet krasbestendig. Het uitzicht is suikerachtig. Vreemde stoffen geven het oorspronkelijk uniform gesteente vele kleuren : gevlamd, gevlekt, geaderd… Vooral ter plaatse van donkere aders, maar ook in de massa of ter plaatse van stylolitische voegen komen ijzerrijke en aluminiumrijke mineralen voor in het gesteente. In combinatie met vocht kan dit tot bruine vlekken aanleiding geven (zie verder). Bijvoorbeeld: Blanc Carrara C, Blanc Carrara CD, Bianco Rosa, Rose Aurore,...

De commerciële benaming van natuursteen kan totaal verschillen van de wetenschappelijke benaming of onderverdeling. Dikwijls is de commerciële benaming niet meer gebaseerd op vorming, textuur en mineralogie, maar verdeelt men natuurstenen onder in enkele grote groepen zoals marmers, granieten,… die soms niets te maken hebben met de wetenschappelijke benaming marmer en graniet. Daardoor is bij de commerciële benaming dikwijls de directe relatie tussen de naam en de eigenschappen van de steen verdwenen.

De commerciële term marmer duidt op alle kalkhoudende natuurstenen die gepolijst kunnen worden, maar in deze groep zitten dus zowel de echte marmers volgens de wetenschappelijke onderverdeling (metamorfe kalkhoudende gesteenten) als bepaalde kalkstenen (sedimentaire gesteenten).

Hetzelfde met de commerciële term granieten, die zowel slaat op harde en gepolijste gesteenten van magmatische als van metamorfe oorsprong.

Oppervlakte-afwerking

De oppervlaktebewerkingen beïnvloeden in grote mate het uiteindelijke uitzicht van de steen. Zo kan de kleur van het oppervlak van een natuursteen sterk verschillen bij een specifieke afwerking. Het polijsten bijvoorbeeld zal over het algemeen de kleuren intenser en donkerder maken, terwijl vlammen meestal een verzachten van het kleurpalet veroorzaakt.

De keuze van een oppervlaktebewerking hangt sterk af van de aard van het materiaal en van het beoogde gebruik ervan. Zo kunnen sommige afwerkingen niet worden uitgevoerd op alle granietsoorten (bijvoorbeeld fijn gefrijnd) en andere niet op alle kalkstenen (bijvoorbeeld gepolijst).

GEZAAGD

Het oppervlak is ruw gezaagd met behulp van een raamzaag of met een gediamanteerde draad of met een gediamanteerd schijfblad (voor kleinere elementen). Het oppervlak vertoont zaagsneden, kleine golvingen, streepjes. Afhankelijk van de machine kunnen de sporen evenwijdig (raamzaag, draadzaag) of circelvormig (cirkelzaag) zijn. Kan gebruikt worden voor buitengebruik, terrassen…..

GESCHUURD OF GESLEPEN

Deze bewerking verwijdert zaagmarkeringen en gebeurt onder besproeiing van water m.b.v. gediamanteerde schuurplateaus, of met grove korrels. Het effect is een effen oppervlak, zonder zaagsporen en met fijne circelvormige streepjes. Deze afwerking kan gebruikt worden voor buitenbevloering, buitendorpels van ramen en deuren, omkaderingen van inkompartijen, gevelbekledingen……

VERZOET
Het verzoeten gebeurt onder besproeiing met water en wordt verwezenlijkt met behulp van reeksen schuurkoppen. De korrel van de schuurkoppen bepaalt het beoogde resultaat. Het oppervlak vertoont een kleine, lichte weerspiegeling, en is effen en mat. Er zijn geen zichtbare groeven aanwezig. In ruimtes waar water op de vloer slipgevaar geeft (badkamer) verkiest men verzoete oppervlakken boven gepolijste oppervlakken. In druk belopen ruimtes kiest men ook beter een verzoete afwerking voor de vloertegels, door het gevaar van aflopen van de polie.

POLIJSTEN

De polijstbaarheid van een materiaal wordt voornamelijk bepaald door de polijstbaarheid van de aanwezige mineralen en de textuur (porositeit).

Deze afwerkingsvorm kan niet bij alle natuursteensoorten worden toegepast. Bij zwarte materialen zijn banden, polijstfouten… zeer goed zichtbaar. Witte materialen zijn in dat opzicht gemakkelijker. Granieten, marmers, compacte kalkstenn, blauwe hardsteen kunnen gepolijst worden. De meeste soorten kalkstenen (waaronder de meeste witstenen) en de meeste zandstenen kunnen niet gepolijst worden. Ze bevatten te veel zachte elementen en zijn te poreus. Meestal zal men kalkstenen die wel kunnen gepolijst worden onder de “marmers” klasseren (commerciële benaming). Het oppervlak is weerkaatsend met hoge glans; witte vlekken, aders, aard en structuur van fossielen worden duidelijker; ook barsten, breuken en kleuren worden versterkt. Op zachte materialen is de glans minder duurzaam.

Er moet rekening mee gehouden worden dat een gepolijst oppervlak zeer glad is, dat de glans op vloeren sneller kan verslijten (zelfs bij harde granieten), maar dat een gepolijst oppervlak wel oppervlakkig het minst absorberend is.

GEVLAMD

Een vlam met hoge temperatuur wordt onder een hoek van 45° op de plaat gericht. De thermische schok veroorzaakt het openbarsten van de oppervlakkige korrels, wat de specifieke ruwe textuur teweegbrengt. Het oppervlak vertoont ruw, min of meer glinsterende vlekken, onregelmatig van vorm. Een gevlamd oppervlak wordt meestal buiten gebruikt : als terras (antislipeffect) , voor gevelbekleding, als onderdeel van ornamenten…. Voor binnentoepassingen is dergelijk ruw oppervlak te absorberend en te vervuilend (stof blijft “plakken” in het ruwe oppervlak).

GEZANDSTRAALD

Bestaat uit het verstuiven onder hoge druk van staalkorreltjes met een vastgelegde korrelverdeling. Vooral op minder harde natuursteensoorten brengt dit snel een ruw effect teweeg. Het oppervlak krijgt hierdoor een ruw maar zeer fijn gekorreld uitzicht. Deze afwerking is toe te passen op graniet, blauwe steen, witsteen, en wordt meestal buiten gebruikt (zie andere ruwe afwerkingen).

GEBOUCHARDEERD of GEHAMERD

De bewerking gebeurt op gezaagde oppervlakken, vóór de plaat zijn definitieve maat krijgt. Ze is niet mogelijk op randen of zijkanten van de platen. De bouchardeerhamer wist letterlijk alle sporen uit van de vorige bewerkingen. Een mechanische hamer slaat op de platen en laat putjes achter op het oppervlak. Het oppervlak verkrijgt hierdoor regelmatig verspreide punten (“putjes”) en kan gebruikt worden voor buitentoepassingen zoals gevelbekledingen, terrassen, opritten, bestrating, ornamenten…..

GEFRIJND - GECISSELEERD

Een multifrees met diamanttanden wordt loodrecht op de gezaagde plaat gezet en geeft aan de mechanische frijnslag een eigen, typisch plat profiel. De machine beweegt automatisch voorwaarts, zodat de groeven steeds evenwijdig zijn. Op die manier blijft ook de tussenafstand tussen de groeven altijd gelijk. Het oppervlak vertoont doorlopende, evenwijdige groeven met een plat profiel. Tussen de groeven ziet men fijne strepen brute gebarsten steen. Het gefrijnde gedeelte is lichter van kleur, het niet bewerkte deel is donkerder (ruw) gebleven. De lijnen lopen meestal evenwijdig met een zijde van de plaat. Deze afwerking kan gebruikt worden voor buitentoepassingen, en wordt zeer vaak gebruikt als bewerking voor voorzijden van buitendorpels en voor muurvoeten.

OUDE FRIJNSLAG

De mechanische oude frijnslag gebeurt met luchtbeitels. De groeven lopen schuin, zeer dicht bij elkaar en ze zijn onderbroken. Het oppervlak vertoont fijne groeven die schuin ten opzichte van de zijden lopen, ze zijn onderbroken, het aantal is niet streng bepaald. Het bewerkte deel is lichter, het niet bewerkte deel is donkerder ruw gebleven. Het is een decoratieve, ruwe oppervlakte-afwerking.

IJSBLOEM

IJsbloem is een typische moderne behandeling van de steenoppervlakte door mechanische bewerking. Dit gebeurt door middel van beitels voorzien van lamellen die een draaiende beweging over de plaat maken. Het oppervlak vertoont een tekening zoals ijsbloemen, en kan gebruikt worden voor buitentoepassingen. Het is een decoratieve, ruwe oppervlakte-afwerking.

ANCIENTOâ

Ancientoâ is een recentere afwerking van Brachot-Hermant voor granieten, waarbij de platen eerst gezandstraald worden, vervolgens eventueel gevlamd (op aanvraag) en tenslotte verzoet met abrasieve borstels. Daardoor wordt een ruw oppervlak “zachter” gemaakt en krijgt het oppervlak een rustiek uitzicht.

LETANO

Letano is de recentste afwerking van Brachot-Hermant voor granieten. Het oppervlak wordt eerst geschuurd, en vervolgens geborsteld, zodat een zeer licht ondulerend oppervlak ontstaat, vergelijkbaar met een “leder-uiterlijk”. De kleur van het materiaal wordt meer benadrukt dan bij een verzoete afwerking, maar heeft nog geen hoogglans zoals bij een gepolijst oppervlak. Deze oppervlakte-afwerking kan gebruikt worden voor keukentoepassingen , badkamers, gevelbekledingen,...

Uit de besproken bewerkingen kan niet naar willekeur worden gekozen. Soms is een bewerking niet of nauwelijks uitvoerbaar op bepaalde steensoorten. Sommige marmers kunnen niet worden gehamerd, omdat ze te zacht zijn en te veel losnervige breekbare aders kunnen bezitten, waardoor ze kunnen breken.

In andere gevallen zijn sommige bewerkingen zinloos, omdat het decoratieve effect van de steen verloren gaat. Marmers worden daarom minder als eindafwerking geschuurd (verlies aan levendigheid).

Een groot gedeelte van de bouwelementen in natuursteen kan worden gepolijst. Denken we maar aan gevelbekledingen in de steden en het gebruik van steen in gebouwen als vloer, als keuken- en badkamerafwerking. Gepolijste afwerkingen bieden het voordeel dat de duurzaamheid tegen de atmosferische omstandigheden groter is (geringere vervuiling, organismen hechten moeilijker aan het oppervlak). Daarentegen kan bij vloerbedekking de gepolijste afwerking snel afgelopen worden (slijtage van de polijsting door beloping).

We dienen ons ook af te vragen of het decoratieve effect zich in een bepaald milieu kan handhaven. Ruwe bewerkingen hechten veel stof en vuil aan en vergen soms veel en duur onderhoud (wil men althans het beoogde effect behouden). Waar kans is op mechanische beschadigingen, kiezen we bij voorkeur geen vlakke bewerkingen waarop zich gemakkelijk krassen kunnen aftekenen.

Plaatsing

De controle van het materiaal moet gebeuren bij levering en alleszins vóór de verwerking, bewerking of plaatsing want deze handelingen geven het bewijs dat men het materiaal aanvaardt. De controle van het uitzicht van het zichtvlak van het materiaal, wat betreft krassen, slijpsporen, scheuren en afschilferingen gebeurt steeds op manshoogte, met het blote oog en in geen geval bij tegenlicht of onder strijklicht (TV 213). Bij controle van de geleverde partij moet het materiaal droog zijn.

Hou er steeds rekening mee dat een staal enkel indicatief is. Variaties in kleur en structuur zijn eigen aan natuursteen en bijgevolg onvermijdelijk. Elk natuursteenproduct vertoont kleurnuances, ook binnen eenzelfde partij. Afhankelijk van de soort zijn de nuances kleiner of groter. Om een mooi resultaat te bekomen moeten de tegels altijd gemengd worden vóór de plaatsing. Dit geldt ook wanneer de partij ogenschijnlijk geen verschillen vertoont. Het is immers mogelijk dat deze pas na de plaatsing tot uiting komen.

Verschillende soorten natuursteen vertonen putjes, oneffenheden, haarscheurtjes… die eigen zijn aan de aard van het materiaal en bijzonderheden van het aspect vertegenwoordigen. Ze worden vaak met kit (mastiek, resine..), aangepast aan de soort, opgevuld. Het is een aanvaarde procedure die ondermeer wordt beschreven in de STS 45 (art. 09.10.3) en in de TV 213 (4.2 en 4.3.1.).

Door het beperken van de hoeveelheid plaatsingsvocht worden problemen, zoals vlekvorming en uitkankering, na de plaatsing vermeden.

In de onderstaande tekst worden zeer kort de meest courante plaatsingstechnieken voor binnenvloeren, vloerverwarming en terrassen besproken.

1. Binnenvloeren

De ervaring heeft ons geleerd dat het aangewezen is om voor een bepaald gamma materialen een verlijming op een droge dekvloer voor te schrijven. Voor andere soorten laten we de keuze tussen het verlijmen of een plaatsing in een dunne (2 cm) mortellaag op een droge dekvloer. Voor het grootste gamma andere soorten laten wij de keuze tussen alle hierna vermelde methodes. De plaatsingsmethode(s) staan duidelijk vermeld op de technische fiche die we per materiaal opstellen. Bij de verschillende types wordt steeds de plaatsing van een polyethyleenfolie onder de dekvloer sterk aangeraden om opstijgend vocht te vermijden.

- traditionele plaatsing:

1. polyethyleenfolie op betonnen draagvloer,

2. gestabiliseerd zandbed,

3. mortellaag,

4. tegels inkloppen.

Gebruik zuiver zand en wit cement voor gestabiliseerd zandbed en mortellaag. Gebruik een minimale hoeveelheid water voor een goede hechting van de mortellaag. Strijk de onderzijde van de tegels in met een product dat de vochtdoorgang vertraagt. Deze plaatsing is niet geschikt voor vloerverwarming en voor bepaalde vlekgevoeliger natuurstenen (bijvoorbeeld Carrara-marmer; zie technische fiches). De tegels moeten een minimale dikte hebben van 15 mm door het inkloppen in de mortel. Randvoegen dienen voorzien te worden.

- verlijmen op droge, verharde dekvloer met wapeningsnet:

1. polyethyleenfolie op betonnen draagvloer,

2. gewapende dekvloer (chappe),

3. (mortel)lijm,

4. tegels.

Respecteer de wachttijden voor dekvloeren (normale cementgebonden dekvloer: evenveel weken als het aantal cm dikte, met een minimum van 28 dagen). Gebruik aangepaste (mortel)lijmen voor natuursteen. Deze plaatsing is het best geschikt voor vlekgevoeliger natuurstenen (zie technische fiches). Een wapeningsnet is noodzakelijk in de dekvloer, evenals uitzettings- en randvoegen in de vloer.

- mortellaag op droge, verharde dekvloer met wapeningsnet:

1. polyethyleenfolie op betonnen draagvloer,

2. gewapende dekvloer,

3. mortellaag,

4. tegels inkloppen.

Strijk de onderzijde van de tegels in met een product dat de vochtdoorgang vertraagt. Een wapeningsnet is noodzakelijk in de dekvloer, evenals uitzettings- en randvoegen in de vloer.

- mortellaag of verlijmen op droge, verharde ondergrond. Enkel mogelijk wanneer de ondergrond stabiel is en er geen gevaar is voor vocht uit de ondergrond. Er mogen geen leidingen op de ondergrond liggen.

2. Vloerverwarming

Het verdient aanbeveling de grootte van de tegels te beperken tot 40 x 40 cm. In geval van kleinere afmetingen is de totale uitzetting en krimp per tegel kleiner. Bovendien zijn er dan ook meer voegen aanwezig die een gedeelte van de bewegingen kunnen opvangen. Door een grotere dikte te nemen wordt het risico op schotelvorming en scheurvorming miniem.

Het geschrankt plaatsen van de tegels en dus ook het gebruik van banen wordt, wat vloerverwarming betreft, algemeen afgeraden.

Om schade ten gevolge van uitzetting te vermijden, is het noodzakelijk dat de vloerbekleding voldoende kan uitzetten. Daartoe moeten de nodige uitzettingsvoegen voorzien worden.

Schade onder de vorm van scheuren is het gevolg van onder andere het krimpen van de dekvloer. Om dit te vermijden is het noodzakelijk dat een wapeningsnet in de dekvloer voorzien wordt.

De plaatsingsmethode zelf wordt uitvoerig beschreven in de TV 179 van het WTCB. Kort samengevat bestaat het systeem uit een goede thermische isolatie die boven op de draagconstructie (betonvloer) wordt geplaatst en uit een dekvloer, voorzien van een wapeningsnet. Tussen isolatie en dekvloer wordt een plastiek(polyethyleen)folie gelegd. De verwarmingsleidingen worden boven de isolatie geplaatst. Het verlijmen van de natuursteen is niet alleen zeer sterk aan te bevelen, het is ook de meest logische manier aangezien men reeds een (droge) dekvloer heeft geplaatst.

Het verwarmingssysteem moet getest worden vóór het plaatsen van de vloerbedekking volgens een vaste procedure (zie WTCB).

3. Terrassen

Natuursteen voor buitenterrassen moet vorstbestendig zijn en bestand tegen thermische schokken.

Water moet snel en goed afgevoerd worden:

- van het oppervlak: afhellend oppervlak

- uit de onderliggende lagen: drainerende lagen, drainagemat

- uit de ondergrond: drainerende steenslaglaag bijvoorbeeld

- weg van het omliggende terrein: drainage rondom terras

Vermijd:

- geschrankte plaatsing

- banen

- grote formaten

Onderlagen: drainerende steenslaglaag, drainerende korrelbeton of niet drainerende beton in helling gelegd met een drainerende laag erboven.

Plaatsing van de tegels:

- in zandbed of op kalksteenslag (voor kasseien of kleinere elementen)

- traditionele plaatsing (legmortel op gestabiliseerd zandbed; voor tegels). Bij plaatsing van leisteen- of kwartsiettegels moet de onderzijde van de tegels ingestreken worden met een hechtingsbevorderend product.

- plaatsing op een gewapende dekvloer die op een scheidingslaag / mat is geplaatst. Hierbij worden de tegels verlijmd of in een mortellaag geplaatst. Uitzettingsvoegen dienen voorzien te worden bij oppervlaktes groter dan 15-20 m².